Behandeling van trombose

Behandeling van trombose

Medicijnen

Wanneer een trombose is ontstaan of dreigt te ontstaan, kan uw arts u verschillende medicijnen voorschrijven. Momenteel zijn verschillende soorten antistollingsmiddelen voorhanden.

Heparine

Bij het ontstaan van een trombosebeen of een longembolie kan uw arts u heparine of laag moleculair gewicht heparine (LMWH) voorschrijven. Beide middelen zorgen ervoor dat de trombose zich niet verder uitbreidt en er geen embolie ontstaat. Heparine dient men toe via een infuus. Laag moleculair gewicht heparine wordt als een spuitje onder de huid gegeven. Beide middelen kunnen ook gegeven worden om trombose te voorkomen, bijvoorbeeld na een operatie. LMWH’s hebben als voordeel dat ze ook zelf thuis zijn toe te dienen zodat opname in het ziekenhuis niet altijd noodzakelijk is. Bovendien is bij dit type heparine controle op stolling door middel van bloedtesten niet nodig.

NOAC’s

Er is een nieuwe categorie geneesmiddelen die artsen kunnen inzetten bij de behandeling of preventie van trombose. Deze nieuwe middelen noemen we ook wel NOAC’s (nieuwe orale anticoagulantia).

NOAC’s zorgen ervoor dat bij de gebruiker één bepaalde stollingsfactor wordt geremd. Bij de op dit moment meest gebruikte geneesmiddelen, de cumarines (‘vitamine K-antagonisten’) wordt de productie van 4 verschillende stollingsfactoren beïnvloed. Ook al is de werking verschillend, bij beide groepen geneesmiddelen neemt de kans op trombose af.

De NOAC’s kunnen in een vaste dosering ingenomen worden en behoeven niet meer de regelmatige bloedcontroles van de Trombosedienst. NOAC’s werken snel. Op het gebied van de veiligheid van NOAC’s speelt momenteel nog een aantal vragen. Zo bestaat er geen specifiek middel om een ernstige bloeding door NOAC-gebruik te stoppen. Dit is met name een probleem als een patiënt een ongeluk krijgt of acuut geopereerd moet worden. Ook is nog niet voldoende duidelijk of de middelen geheel veilig zijn bij oudere patiënten of bij patiënten met een verminderde nier- of leverfunctie. Deze zaken worden op advies van de Gezondheidsraad nog onderzocht.

Cumarines

Acenocoumarol en fenprocoumon
U kunt Acenoucoumarol of fenprocoumon krijgen voorgeschreven ter voorkoming of ter behandeling van trombose in de aders, slagaders of hart.

shutterstock_315858293 r

Werking Medicatie

Hoe werken de cumarines?

Om het bloed te laten stollen, bijvoorbeeld na een verwonding, maakt ons lichaam zelf de benodigde stoffen aan. Deze stoffen noemen we stollingsfactoren. Om enkele van deze factoren te kunnen maken heeft het lichaam vitamine K nodig. Vitamine K wordt in het lichaam in de darmen gemaakt. Daarnaast komt het voor in ons voedsel, met name in groene groentes, zoals boerenkool en spinazie.

Acenocoumarol en fenprocoumon zijn medicijnen die de werking van vitamine K tegengaan. Ze zorgen ervoor dat ons lichaam minder stollingsfactoren kan aanmaken. Het bloed wordt als het ware minder stolbaar gemaakt, waardoor de kans op het ontstaan van trombose kleiner is. Als de aanmaak van de stollingsfactoren echter volledig wordt geblokkeerd, kan dat leiden tot (levens)gevaarlijke bloedingen. Het is dus de bedoeling dat de medicijnen enerzijds het bloed minder stolbaar maken,

 

Hoe hoog moet de uitslag van de laboratoriumtest zijn?

Hoe hoog de uitslag van de laboratoriumtest moet zijn, hangt af van de aard van uw aandoening. Als u antistollingsmiddelen heeft voorgeschreven gekregen ter voorkoming van een trombose na een operatie, geldt een andere norm dan als u een kuntstofhartklep heeft gekregen. De medewerker van de trombosedienst kan u vertellen hoe hoog de uitslag van de INR-test moet zijn bij de verschillende aandoeningen als u antistollingsmiddelen gebruikt. Hiervoor hanteert men landelijk vastgestelde streefgrenzen. In Nederland geeft men de uitslag van de test weer in INR. In het buitenland kan het nog voorkomen dat u een uitslag ontvangt in procenten of in seconden. De INR is echter de internationale maat en heeft de voorkeur.

Een goede uitslag bereiken


Regelmaat bij het innemen

Een allereerste vereiste om een goede INR-uitslag met acenocoumarol of fenprocoumon te bereiken en te houden, is het op de juiste manier innemen van deze tabletten: één keer per dag volgens het voorschrift van de Trombosedienst, bij voorkeur ’s avonds. U neemt dus de voorgeschreven tabletten in één keer in en verdeelt deze niet over de dag. Op de prikdag kan het namelijk voorkomen dat een patiënt ’s middags gebeld wordt om die dag een andere hoeveelheid in te nemen.
Als het innemen een keer vergeten wordt, kan de uitslag verstoord zijn en dan duurt het weer enkele dagen om die goed te krijgen.  De arts/medewerker van de Trombosedienst moet daarom op de hoogte gesteld worden dat de tabletjes een keer vergeten zijn. Neemt u bij het vergeten van de tabletten dan ook zo spoedig mogelijk contact op met de Trombosedienst.

Frequentie van de controles

Het hangt af van de laboratoriumuitslag en de aandoening hoe vaak iemand geprikt moet worden. Dat kan maximaal eenmaal in de zes weken zijn, maar ook vaker. Indien de uitslag van de laboratoriumtest niet goed is, kan een wekelijkse of zelfs dagelijkse controle noodzakelijk zijn. Bij de start van de antistollingsbehandeling is controle ook vaak intensief omdat iemand dan goed ingesteld moet worden op de medicatie.

Combinatie met andere medicijnen en ziektes

Er zijn medicijnen die de werking van acenocoumarol en fenprocoumon kunnen beïnvloeden. Sommige medicijnen zorgen ervoor dat de werking versterkt wordt, andere dat de werking verzwakt wordt. Het is daarom van belang alle medicijnen die men naast de antistollingsmiddelen gebruikt te melden aan de Trombosedienst.

De medewerkers van de Trombosedienst weten welke medicijnen invloed hebben op elkaar en de arts van de Trombosedienst kan de dosering van de antistollingsmiddelen aanpassen. Het is af te raden op eigen initiatief medicijnen te slikken zonder die aan de Trombosedienst te melden. Onder dit advies vallen ook de “vrij” verkrijgbare preparaten bij de drogist.
Ziektes die met koorts, diarree of braken gepaard gaan, kunnen invloed hebben op de werking van antistollingsmiddelen. De Trombosedienst wil dan ook graag weten of iemand ziek is, zodat bekeken kan worden of een extra bloedcontrole noodzakelijk is en of de dosering van de antistollingsmiddelen aangepast moet worden.

Alcohol

Als de specialist of huisarts er geen bezwaar tegen heeft, kan een matige hoeveelheid alcohol (een tot twee glazen per dag) in combinatie met acenocoumarol of fenprocoumon genuttigd worden. Echter een grote hoeveelheid alcohol verstoort de uitslag van de laboratoriumtest wel.

Risico op bloedingen

Iemand die acenocoumarol of fenprocoumon slikt, loopt meer risico op het krijgen van bloedingen. Een kleine blauwe plek of een rood oog is over het algemeen minder ernstig, maar bij rode urine of zwarte ontlasting moet er onmiddellijk contact opgenomen worden met de Trombosedienst èn de huisarts. Elke bloeding (dus ook de kleinere bloedingen) dient gemeld te worden bij de Trombosedienst.

Opnames en poliklinische ingrepen

Als iemand een (kleine) chirurgische ingreep moet ondergaan, moet over het algemeen de instelling met acenocoumarol of fenprocoumon tijdelijk aangepast worden.
Bij tandheelkundige ingrepen waarvan de omvang niet groot is, behoeft de behandeling niet altijd te worden aangepast. Overleg met de arts van de trombosedienst hierover is dan ook noodzakelijk.

Als er niet aangepast wordt, is het risico op het krijgen van een bloeding te groot. De behandelend arts bepaalt of er voor de ingreep gestopt moet worden, eventueel in overleg met de Trombosedienst. Vaak wordt er vitamine K gegeven  om het effect van de antistollingsmiddelen te verlagen. Het is mogelijk dat de antistollingsbehandeling tijdelijk wordt ‘overbrugd’ met een ander antistollingsmiddel, namelijk laag moleculair gewicht heparine-injecties (zie ook ‘Behandeling van trombose’). Dit gebeurt als uw risico op trombose rondom de operatie zónder antistollingsbehandeling te groot wordt geacht. De behandelaar besluit wat in elke situatie de beste keuze is, eventueel in overleg met de Trombosedienst.

Hoge leeftijd

Ook op hoge leeftijd kunnen antistollingsmiddelen geslikt worden; er bestaat echter een groter risico op het krijgen van een bloeding.

Gewichtsverandering

Een dieet, met name een vetvrij dieet, kan invloed hebben op de werking van antistollingsmiddelen. Daarom moet u dit doorgeven aan de Trombosedienst, want er zijn dan mogelijk extra bloedcontroles nodig om de dosering van de antistollingsmiddelen aan te kunnen passen.

Sport en lichaamsbeweging

Trombose en behandeling met antistollingsmiddelen staan sport niet in de weg. Maar het is wel van belang om op te passen bij blessuregevoelige sporten. Ook is gebleken dat iemand die opeens intens gaat sporten of meer lichaamsbeweging heeft, meer acenocoumarol of fenprocoumon nodig heeft. In zo’n geval kan de Trombosedienst na extra bloedcontroles de dosering van het antistollingsmiddel aanpassen.

Vakantie

Als iemand op vakantie wil en behandeld wordt met een antistollingsmiddel, zal de Trombosedienst een vakantiebrief met de noodzakelijke gegevens meegeven in de taal van het land van bestemming. De Trombosedienst heeft ook een lijst met adressen waar u zich kunt laten prikken indien dit noodzakelijk is.

Zwangerschap

In principe hoeft een tromboserisico een zwangerschap niet in de weg te staan. Acenocoumarol en fenprocoumon zijn schadelijk voor de vrucht wanneer zij tijdens de eerste zestien weken van de zwangerschap worden gebruikt. Worden antistollingsmiddelen kortdurend gebruikt dan is het verstandig in deze periode niet zwanger te worden. Bij een langdurige behandeling met een antistollingsmiddel bestaan er mogelijkheden om een zwangerschap relatief veilig voor moeder en kind te laten verlopen. Bij kinderwens is het daarom raadzaam contact hierover op te nemen met de huisarts, de specialist en de Trombosedienst.

INR

De INR (International Normalized Ratio) is een internationale maat voor de stolbaarheid van bloed. inr
Het geeft de snelheid weer waarmee uw bloed stolt. Een INR van 1.0 is de normale waarde voor mensen die geen antistollingsmiddelen gebruiken. Afhankelijk van het soort aandoening waarvoor u antistollingsmedicijnen slikt, wordt over het algemeen gestreefd naar een INR tussen de 2.0 en de 3,5.

In Nederland geeft men de snelheid waarmee u bloed stolt weer in INR. In het buitenland wordt dit soms ook wel in seconden en/of procenten weergegeven, maar ook hier kiest men vaker voor de INR. Het voordeel van deze internationale maat is bijvoorbeeld dat u de INR die men bepaalt op uw vakantiebestemming kunt vergelijken met de INR van thuis.

Elastische kousen

Een belangrijk onderdeel in de behandeling van veneuze trombose vormen de therapeutische elastische kousen
(soms afgekort tot tek). Elastische kousen zorgen ervoor dat het teveel aan vocht dat zich in een lichaamsdeel bevindt (oedeem), wordt afgevoerd. Hiertoe is het lichaam zelf niet goed meer in staat.
Dit geldt bijvoorbeeld als u een diepveneuze trombose in een been of arm heeft doorgemaakt.shutterstock_177000410

Meestal schrijft uw arts een elastische kous voor. Uw arts geeft op het recept aan voor welke periode u de kous moet dragen, wat de lengte van de kous moet zijn en welke drukklasse de kous moet hebben. De drukklasse geeft aan hoeveel druk er op het lichaamsdeel moet komen te staan om overtollig vocht te kunnen afvoeren. Vervolgens zal u worden doorgestuurd naar een gespecialiseerd bandagist of huidtherapeut.
Deze zal de kous bij u aanmeten.

Het is belangrijk de kous goed te onderhouden. U kunt hem beter een keer te veel wassen dan te weinig, omdat de druk daarmee wordt hersteld. Bespreek met uw bandagist of therapeut hoe u uw kous het beste kunt onderhouden en wanneer deze aan vervanging toe is.

Adviezen bij antistollingsbehandeling

Na een vorm van trombose te hebben doorgemaakt is het volgen van behandelingsadviezen en het aanhouden van een gezonde levensstijl van groot belang. Belangrijke adviezen die u kunt volgen zijn:

1. Neem uw antistollingstabletten altijd in volgens de aanwijzingen op de doseringskalender en op een vast tijdstip.
2. Zet direct na inname een kruisje op de doseringskalender. Zo voorkomt u vergissingen.
3. Houd u zich altijd aan de controleafspraak met de trombosedienst en neemt contact op als u bent verhinderd
4. Licht artsen en verpleegkundigen altijd over uw situatie in bij een onverwachte ziekenhuisopname.Vertel dat u bij een trombosedienst onder controle bent en laat, indien mogelijk, uw doseringskalender zien. Vertel de trombosedienst altijd over een geplande ziekenhuisopname.
5. Licht uw tandarts in dat u onder behandeling bent van de trombosedienst.
6. Neem nooit op eigen initiatief andere (zelfzorg)medicijnen in. Dit geldt zeker voor aspirine en ook voor hoestdranken en laxeermiddelen.
7. Als u iets wilt innemen tegen koorts of pijn, neem dan alléén paracetamol. Overleg dit ook altijd met uw huisarts en geef het door aan de trombosedienst.
8. Als uw huisarts, specialist of andere behandelaar u nieuwe medicijnen voorschrijft, vertel hem of haar dan dat u ook antistollingsmiddelen gebruikt.
9. U bent kwetsbaarder voor bloedingen. Dit hoort bij de behandeling. Als u ongerust bent of vragen hebt, kunt u altijd de trombosedienst bellen.
10. Als uw urine rood van kleur is of uw ontlasting gitzwart, twijfel dan niet en neem direct contact op met uw huisarts én trombosedienst.
11. Eet gevarieerd en beperk uw alcoholconsumptie tot maximaal één tot twee consumpties per dag.
12. Als u een vermageringsdieet volgt, meld dit dat aan de trombosedienst.
13. Vertel uw trombosedienst tijdig dat u vakantieplannen hebt.

14.Vermijd blessuregevoelige sporten en contactsporten.

15.Het slikken van de anticonceptiepil kan een verhoogde kans geven op herhaling van de trombose. Bespreek dit met uw specialist. Als u overigens de pil slikt tijdens de antistollingsbehandeling bestaat er geen verhoogde kans op herhaling van de trombose.

16. Draag de voorgeschreven elastische kousen voor de duur van de door uw arts voorgeschreven periode.

Bron: Trombosestichting Nederland